In een risicoregister staat brand bijna altijd hoog. De maatregelen die erbij horen, zijn meestal bekend: blusmiddelen, vluchtwegen, een ontruimingsplan en bedrijfshulpverlening. Minder aandacht krijgt de vraag of die middelen op het moment van een brand ook werken, en of dat achteraf aan te tonen is. Een blusser die al jaren aan de muur hangt, geeft een gevoel van zekerheid dat niet vanzelf klopt.

Voor een risicomanager zit de waarde van blusvoorzieningen daarom niet alleen in het apparaat, maar in de keten eromheen: periodieke controle volgens een erkende norm, herstel van gebreken en een verslag dat een verzekeraar, de gemeente of de brandweer kan inzien. Zonder die vastlegging is een beheersmaatregel in de praktijk moeilijk te verdedigen.

Welke normen er gelden

Voor elk type blusmiddel bestaat een eigen Nederlandse norm. Brandblussers worden onderhouden volgens NEN 2559, brandslanghaspels volgens NEN 671-3 en verrijdbare poederblussers volgens NEN 2659. Brandkranen en droge blusleidingen vallen onder NEN 1594. Het onderhoud van draagbare blussers en haspels hoort jaarlijks plaats te vinden, zodat het middel gebruiksklaar is als het nodig is.

Controle als registratie

Hoe dat in de praktijk verloopt, laat de werkwijze van Royal Safety zien, een REOB-erkend onderhoudsbedrijf voor blusmiddelen. Bij de jaarlijkse controle stellen de monteurs een digitale looplijst op en krijgt elk blusmiddel een barcode. Daarmee is per toestel terug te zien hoe oud het is, welk onderhoud is uitgevoerd en wat er de komende jaren aan onderhoud aankomt. Kleine gebreken worden ter plekke verholpen. Als alles op orde is, volgt een certificaat dat aan instanties en verzekeraars kan worden overhandigd.

Voor het risicobeleid is die registratie het eigenlijke product. Een overzicht van verwachte vervangingen maakt het mogelijk om kosten in de meerjarenbegroting op te nemen in plaats van ze als verrassing te boeken.

Droge blusleidingen: een voorziening voor de brandweer

Een droge blusleiding is een kunststof of verzinkt stalen pijp met op elke verdieping een koppeling voor een brandweerslang en op de begane grond een voedingsaansluiting. In de leiding staat geen water. Pas als de brandweer arriveert en de leiding voedt, kan er water naar boven. In gebouwen hoger dan 20 meter en in gebouwen die voor de brandweer moeilijk bereikbaar zijn, is zo'n leiding verplicht.

Omdat de leiding het grootste deel van de tijd niet wordt gebruikt, valt een gebrek pas op als het te laat is. Het onderhoudsschema volgens NEN 1594, zoals toegelicht op royalsafety.nl, bestaat daarom uit twee stappen: een jaarlijkse controle op de goede werking en eens in de vijf jaar het afpersen, waarbij de leiding volledig met water wordt gevuld en onder druk gezet. Die druk moet vijf minuten constant blijven. Van het afpersen hoort een persrapport te komen, met een exemplaar voor de brandweer.

Vastleggen in het register

Voor elk van deze voorzieningen is het zinvol om in het risicoregister niet alleen de maatregel op te nemen, maar ook de norm, de datum van de laatste keuring, de uitvoerder en de vindplaats van het certificaat. Bij een droge blusleiding hoort daar de datum van het laatste afpersen bij. Zo is bij een audit, een verzekeringsinspectie of een wisseling van beheerder in één oogopslag te zien of de keten nog sluit.